De man die zijn haar kort liet knippen (1965)
The Man Who Had His Hair Cut Short L' homme au crâne rasé
Countries
België
Languages
NL
Gauge
35mm
Silent/Sound
Geluidsfilm
Regisseurs
Cast
- Senne Rouffaer (Govert Miereveld)
- Beata Tyszkiewicz (Fran)
- Hector Camerlynck (Prof. Mato)
- Paul 's Jongers (Zijn assistent)
- Luc Philips (Wethouder)
- François Bernard (Rechter Brantink)
- Maurits Goossens (Schoolhoofd)
- Hilde Uytterlinden (Beps)
- Hilda Van Roose (Juffrouw Freken)
- Annemarie Van Dijck (Corra)
- Vic Moeremans (Directeur)
- François Beukelaers (Patiënt)
- Arlette Emmery
Productie
- BRT (Brussel)
- Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (Brussel)
Landen
België
Over deze film
De man die zijn haar kort liet knippen is de eerste langspeelfilm van André Delvaux en een sleutelmoment in de moderne Belgische film, die in eigen land echter onthaald werd op onbegrip door critici die niet onmiddellijk de schokkende bevreemding van het werk inzagen. Het scenario is gebaseerd op de roman van de Vlaamse auteur Johan Daisne. Delvaux geeft het onderwerp als volgt weer: "Hoe Govert Miereveld, advocaat en leraar in een Vlaamse stad, een geheime liefde koestert voor zijn leerling Fran, een ontoegankelijke schoonheid die weldra uit zijn leven verdwijnt. Hoe het ondoorgrondelijke proces van Goverts geestelijke aftakeling zich verscherpt door de schok van het bijwonen van een autopsie. Hoe hij Fran terugvindt - of denkt terug te vinden - en wat hieruit volgt. Hoe we nooit echt zullen weten of hij haar daadwerkelijk vermoord heeft." Het verwarrende aspect van het originele onderwerp en Delvaux' meesterlijke hand in de regie maken hem tot voortrekker van het magisch realisme. De film begint met een academische zitting en een prijsuitdeling. Alles lijkt perfect "normaal" maar toch hangt er een verraderlijke malaise, een schemerzone van verderf. Een schijnwereld wordt doorprikt. Delvaux plaatst microgebeurtenissen in een verruimd perspectief, waardoor de realiteit op een haast onmerkbare wijze wordt uitvergroot en vervormd. Het concrete en de interpretatie, het objectieve en het subjectieve gaan in elkaar over, worden op subtiele wijze vermengd. De autopsiescène geeft uitstekend deze dubbele perceptie weer: die van een heelkundige realiteit waar een lijk een neutraal, klinisch te ontleden voorwerp is, en die van een ondraaglijke realiteit, die verwijst naar verrotting, naar identiteitscrisis.